De eerste klasser



Wanneer een eersteklasser de kleuterschool verlaat, dan wordt hij van de "oudste" plotseling "jongste". Een nieuwe wereld lonkt, een poort naar een nieuwe zaal opent zich weids. Innerlijk moet de eersteklasser zich klaar voelen om te gaan leren. Innerlijk gaan ze nu het Aardse Paradijs achter zich laten en de afdaling naar het "zich-met-de-aarde- verbinden" gaat beginnen.
Op zich kunnen en kennen zij al veel, maar of de innerlijke gesteldheid reeds genoeg bodem heeft om reeds opgedane ervaringen aan kunnen en kennen te kunnen dragen; dat is iets heel anders.
De kinderziel van de eersteklasser is kwetsbaarder en gevoeliger dan menige volwassen opvoeder vermoedt. Het op de juiste wijze hanteren van dat kennen en kunnen is van een heel andere orde dan het kunnen en kennen zelf.
Zo is technisch lezen heel iets anders dan het begrijpen van de inhoud ervan; zo is het herkennen van letters en cijfers iets heel anders dan het technisch lezen of het hanteren van de rekenkundige bewerkingen; zo wordt het "door een kind drinken van wel vijf glazen water" tot een werkelijk beleven van de prestatie van een olifant die in staat is om in een paar minuten zo'n 100 liter water (= 10 volle emmers) tot zich te nemen. Een peuter bootst het aanzetten van een radio feilloos na, maar wanneer het geluid van die radio na twee seconden plotseling de kamer inknalt, dan knalt er bij dat jonge kind toch iets teveel van het goede in zijn belevingswereld binnen.
Een goed gewoontevorming is de gezonde basis voor een religieuze opvoeding en vormt de gezonde basis van waaruit het jonge kind zijn blik de-wereld-in kan verruimen en waaraan hij zijn innerlijke zekerheid kan ontlenen en uitbouwen. De sprookjes en verhalen. Daar moet het jonge kind zich in kunnen herkennen. Ook al begrijpt hij de precieze betekenis van de vele woorden nog niet helemaal, de beeldentaal zal hem zeker vertellen, dat licht en duisternis, goed en kwaad onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden en bij elkaar horen en dat de causaliteit van opeenvolgende gebeurtenissen het levenslot weeft, waarin de opgroeiende, zich ontwikkelende mens wordt geconfronteerd met het niet meer te veranderen verleden, waarmee hij de toekomst tegemoet moet treden om nieuwe kansen, nieuwe mogelijkheden te creëren. En het vrije handelen in het heden verbindt die twee uitersten. In het Nu moet de mens met de realiteit van verleden en toekomst de realiteit van het Heden tegemoettreden een daartoe dient de Moed te worden ontwikkeld.
Het jonge kind vraagt aan de opvoeder naar zijn ervaringen van de praktijk, op welke wijzen je je doel kunt bereiken, welke processen je kunt volgen. 11 + 1 Geeft dezelfde uitkomst als 1 + 11, maar wanneer je 12 bereikt door 1 meelzak bij 11 meelzakken te zetten ben je wat minder snel moe dan wanneer je 12 bereikt als je 11 meelzakken zet bij 1 meelzak. Niet denken maar doen is een gevleugeld gezegde.
En dat nu geldt met name voor de eersteklasser en dan wel gezond ademend een gezond gevoel ontwikkelen.
Welk vak dat ook moge zijn.

Pieter 't Hoen