Kaarsjes trekken in de adventstijd in de kleuterklas
Het is een van de eerste dagen in de eerste adventsweek..
Achter op het aanrecht staat het elektrisch kookplaatje met een vreemde wonderlijke constructie van pan, folie en blikje. Het pruttelt en borrelt in de pan. Uit de pan komt een fijne lucht van bijenwas. Aan een rekje van hout met sterren erop zitten koperkleurige spijkertjes. Daar aan hangen....... verbogen paperciips .... en rare frommeltouwtjes! Dit zijn de lontjes voor onze zelf te trekken kaarsjes.
Als het tijd is om er mee aan de slag te qaan zitten de kinderen op hun stoeltjes in de kring. Midden in de kring staat een stevige kist met een kleed. Daar op komt de pan met de warme bijenwas. om de beurt mogen de kinderen het lontje in de bijenwas dopen en wachten tot er geen bijenwasdruppel meer af valt. Dan komt het volgende kind uit de kring naar het bijenwasblik. ondertussen zingen we zacht de adventsliedjes. Als er twee keer ingedoopt is brengen de kinderen de lontjes weer naar het rekje. Hier zijn we heel verrast over de touwtjes die in één dag een dunne laag hebben gekregen maar nu bijna allemaal kronkelen. ik trek de lontjes recht.
Het is heel verschillend hoe het lont er van alle kinderen uit ziet Sommige kinderen kijken goed hoe je de lont het beste kunt hanteren. Dopen heel rustig en gelijkmatig in en krijgen een rechter kaarsje.
De beweeglijkste kleuters hebben er een hele klus aan om het prille kaarsje te behoeden. Het lontje reageert direct op elke verandering van houding. Botst de warme lont tegen een knie dan is het al een beetje verbogen.
Het knoopje kan losgaan of van de paperclip schieten alsje te heftig beweegt. Kaarsjes trekken is een hele oefenweg.
Om de beurt wachten op elkaar en het goed vast houden.
Ook spreken we bij kaarsjes trekken het kind aan op zijn geurbeleven. De pure, warme bijenwasgeur hangt in de hele klas. Er zijn kinderen die heel intens de geur opnemen door het warme kaarsje lang bij hun neuzen te houden.
Het is ook heel plezierig om de was van het ingedoopte kaarsje te betasten. Maar dat moet weer voorzichtig gebeuren anders misvormt het kaarsje.
De kinderen dopen elkaars kaarsjes. Met elkaar behoeden we alle kaarsen.
Als we verder komen in de adventstijd zingen we steeds meer verschillende kerstliedjes bij het dopen.
Elke keer hangen we de kaarsjes weer aan het rekje. Elke dag zijn ze een stukje dikker. Aan de onderkant snij ik af en toe een stukje weg. Hier blijft elke keer een druppel aan hangen wat een steeds dikkere klont gaat vormen. Deze klontjes komen weer bij de bijenwas in het blik. Na het snijden krijgen de kaarsen ook vorm aan de onderkant.
Het dopen doen we, naast de andere activiteiten van elke dag op een vast moment. We geven het jonqe kind een steun in het beleven van het dagverloop, van de tijd. Door een vaste dagindeling krijg je grip op het dagverloop.
We bieden hulp bij het omgaan en handelen van deze materie. Door deze herhaling krijgen ze meer vertrouwen in hun eigen handelen. Door het omgaan met deze nieuwe stof doen ze nieuwe ervaringen op.
We trekken een paar kaarsen extra die we bewaren om bij het vertellen in het loop van het jaar aan te steken.
In de adventsperiode zullen we dan ook proberen om elke dag te trekken. Het is heel erg leuk om met elkaar te beleven hoe uit de vloeistof iets nieuws ontstaat.
Zo zien we het kaarsje groeien en als het klaar is ... dan is het Kerfeest.
Jantina Boelens